Ga direct naar | Protocol kinderoefentherapie op school | Werkwijze kinderoefentherapie


De leerkracht ziet kinderen verschillende motorische activiteiten uitvoeren. Motorische activiteiten kunnen onderverdeeld worden in grofmotorische activiteiten en fijnmotorische activiteiten. Voorbeelden van grofmotorische activiteiten zijn rennen, springen, klimmen en fietsen. Voorbeelden van fijnmotorische activiteiten zijn knippen, vouwen en schrijven.

Het motorisch functioneren hangt samen met het cognitief functioneren en het gedrag van kinderen. Het is daarom voor een leerkracht belangrijk om voldoende kennis over het motorisch functioneren van de kinderen uit de klas te hebben. Wanneer loopt een kind motorisch achter? Wat kan er in de klas gedaan worden? Wanneer is er extra begeleiding nodig?

Leeftijdsadequaat, vertraagd of afwijkend motorisch functioneren?

Kinderen met een leeftijdsadequate motorische ontwikkeling leren door iets meerdere keren te doen. Zij leren door trial-and-error. Hierbij is het belangrijk dat kinderen plezier beleven aan het uitvoeren. Zo blijven ze de bewegingen herhalen en worden ze steeds beter.

Bij kleuters is het bewegen op het schoolplein en in de gymzaal belangrijk om te leren klimmen, klauteren, rennen, springen en fietsen. Ook oefenen ze het gooien en vangen met twee armen. In de klas zijn ze vaak druk bezig met knutselen, figuren maken en hun naam (na)schrijven.

Vanaf 5 à 6 jaar leren kinderen complexere taken waarbij verschillende ledematen (tegengesteld) met elkaar moeten samenwerken. Voorbeelden hiervan zijn leren zwemmen, veters strikken en eten met bestek. Ook schrijven is zo’n complexe vaardigheid.

Veel leerkrachten hebben goed door wanneer kinderen moeite hebben met hun motorisch functioneren. Deze kinderen voeren de motorische activiteiten minder goed uit dan de andere kinderen uit de klas. Naast deze duidelijke motorische verschillen laten kinderen ook vaak ander gedrag zien. Afwachtend, angstig of vermijdend gedrag kan een signaal zijn voor een afwijkend motorisch functioneren.

Wanneer heeft een kind extra ondersteuning nodig en hoe gaat dit in zijn werk?

De kinderoefentherapeut biedt hulp wanneer een motorische achterstand of afwijkende motorische ontwikkeling zorgt voor problemen bij activiteiten en participatie. Voorbeelden hiervan zijn problemen met schrijven, het buiten spelen en/of de gymles. Bij de behandeling worden de ouders, leerkracht en IB zoveel mogelijk betrokken.

Het ‘handelingsmodel kinderoefentherapie’ geeft een theoretisch beeld van de werkwijze van de kinderoefentherapeut. Het kind en de motorische hulpvraag staan in dit model centraal. Bij de behandeling wordt er rekening gehouden met, en ingespeeld op alle ontwikkelingsgebieden zoals cognitie, gedrag en omgeving.

Zie voor een uitgebreidere beschrijving informatie voor ouders.

Zoek voor meer informatie of aanmelden via de praktijkenzoeker een praktijk bij u in de buurt en neem contact op.

Protocol kinderoefentherapie op school

Kinderoefentherapeuten zijn ook gevestigd binnen onderwijsinstellingen. Doordat de behandeling plaatsvindt binnen een onderwijsinstelling kunnen de motorische vaardigheden direct in de dagelijkse situatie van het kind worden aangeleerd. Denk hierbij aan de gymles, het buiten spelen en het schrijven in de klas. Ook is er een goede samenwerking met de leerkracht mogelijk en worden ouders betrokken bij het behandelproces.

De kinderoefentherapeut binnen een onderwijssetting werkt volgens het protocol kinderoefentherapie op scholen.

Meer lezen?

Vragen over kinderoefentherapie op scholen? Neem contact met ons op.


Werkwijze kinderoefentherapie

Het handelingsmodel kinderoefentherapie (Steeman & Smorenburg, 2014) geeft een compleet beeld van de werkwijze van de kinderoefentherapeut.